Research Seminar ‘Canon in Context’

“There is a nagging sensibility that we are living well beyond that authentic age of the orchestra and its repertoire” (Leon Botstein)

The established musical canon has served as an implicit framework for aesthetic orientation and social identification throughout history. As the dominance of this regulative force influences (top-down) policy discourses and (bottom-up) public opinion alike, programmers, composers and performers feel increasingly obliged to adhere to the canon’s fixed boundary conditions in order to sustain themselves. The present-day symphonic landscape thus presents itself as a scattered and imbalanced pluriverse, dominated by government-funded orchestras that mostly play canonized repertoire, complemented by small-scale alternatives that promote new music to a niche audience, and tinted by some variations in between.

This seminar takes on the question of how the current symphonic landscape in the broadest sense can be (re-)organized in a sustainable way. That is, without having to compromise its artistic integrity and without losing sight of its practical performance climate.

Donderdag 3 mei 2018 ; 9.30 – 17.00

 Promotiezaal Klooster van de Grauwzusters

Lange Sint-Annastraat 7

2000 Antwerpen

 

Speakers: Arne Herman, Marlies De Munck, Wim Henderickx, Luc Joosten, Rebecca Diependaele, Ben Haemhouts, Jerry Aerts, Joost Maegerman.

Please register via: https://www.uantwerpen.be/en/research-groups/aria/activities/research-seminars/canon-in-context/

 

“Er heerst een knagend gevoel dat de tijd van het orkest en zijn repertoire voorbij is”

Bovenstaande quote van de Amerikaanse dirigent en musicoloog Leon Botstein doet het gelukkig beter als provocatie dan als vaststelling. Hoewel de internationale orkestcultuur sterk in beweging is, kampt ‘het symfonisch orkest’ wel met iets wat op een existentiële crisis lijkt. Welke richting moet het uit met deze oude kunstinstitutie, en hoe kunnen we haar museale imago ontkrachten? In de onderzoeksdag ‘Canon in Context’ die het Antwerp Research Institute for the Arts (ARIA) samen met het Culture Commons Quest Office (CCQO) van de Universiteit Antwerpen organiseert, staat de vraag centraal welke rol het muzikale repertoire speelt in de ontwikkeling van een werkbaar orkestmodel.

Het huidige symfonische landschap lijkt soms op een stuurloos en gedesoriënteerd pluriversum: sterk gedomineerd door gesubsidieerde orkesten die het bekende repertoire aanpakken, aangevuld door schaarse alternatieven die nieuwe of onbekende muziek brengen voor een nichepubliek, en in de marge bijgekleurd door wat variaties daar tussenin. De weinige financiële middelen, en ook het publiek, moeten worden verdeeld over de verschillende spelers die elk hun antwoord formuleren over de plaats van het orkest binnen de maatschappij.

Die zoektocht komt niet uit de lucht vallen. De afgelopen decennia kregen symfonische orkesten in binnen- en buitenland zware klappen te verduren. Zo zagen ze hun subsidies drastisch inkrimpen, hun publiek vergrijzen en uitdunnen, en hun cultureel belang wordt door de globaliserende maatschappij steeds minder als evident beschouwd. Paradoxaal genoeg heeft dit ertoe geleid dat de orkesten steeds meer op elkaar zijn gaan lijken: hoe meer hun relevantie in vraag wordt gesteld, des te meer organiseren de orkesten zich gelijkvormig en scharen ze zich rondom hetzelfde veilige repertoire. De vernieuwingsslag die onmiskenbaar in onze maatschappij woedt, lijkt het repertoire van orkesten niet te hebben bereikt. Het lijkt er eerder op dat orkesten, in hun zoektocht naar legitimiteit, terugvallen op wat men hun ‘symbolisch kapitaal’ zou kunnen noemen: het symfonische repertoire dat zich ruwweg uitstrekt tussen Mozart en Richard Strauss (of tussen 1780 en WOII) kreeg gaandeweg een voorkeursetiket opgeplakt. In de vakliteratuur rond dit onderwerp wordt de metafoor van het museum weleens gebruikt. De gestandaardiseerde canon van muzikale werken en componisten is als een denkbeeldig museum, gevuld met onaantastbare, eeuwige pronkstukken die logisch aan elkaar worden verbonden aan de hand van een achteraf geconstrueerd verhaal. Werken die in dat verhaal passen, verdienen een plaatsje in het museum. Werken die een andere esthetische koers varen, riskeren de vergetelheid. Hetzelfde geldt voor het publiek: wie het verhaal mooi vindt, voelt zich welkom in het symfonische museum. Wie niet vertrouwd is met het verhaal of eruit wil ontsnappen, blijft op zijn honger zitten.

Een orkest dat zich toelegt op het verhaal van het gevestigde repertoire geniet mee van een symbolische autoriteit, maar draagt er ook de gevolgen van. Want wat afwijkt van de esthetische norm of canon vormt een risico voor een orkest dat naar zelflegitimatie zoekt. Zo heeft een strategische en pragmatische keuze de ontwikkeling van, en het aanbod aan, het klassieke repertoire ernstig beïnvloed en zelfs afgeremd. Daarmee snijdt de museale orkestcultuur zich in het eigen vlees, omdat ze zich steeds meer in zichzelf keert. De Amerikaanse criticus Anthony Tommasini merkte enkele jaren geleden al op in The New York Times: “Zolang de klassieke muziek in die behoudscultus zit, kan het geen verrassing zijn dat het potentiële nieuwe publiek de klassieke muziek beschouwt als gedateerd en irrelevant.” Bovendien ligt nu een gemakkelijk besparingsargument voor de hand: hebben we wel zo veel gesubsidieerde orkesten nodig, als ze toch allemaal op elkaar lijken…?

De laatste jaren beweegt er al heel wat in de orkestwereld, en het ergste van de existentiële crisis lijkt inmiddels voorbij. Nieuwe concertformules vinden hun weg naar een groter en gevarieerder publiek, en steeds meer orkesten stappen af van een al te rigide organisatievorm. Maar toch blijven er moeilijkheden. In de herdenking van het orkestmodel lopen we immers het risico om onze esthetische waarden te offeren op de altaren van het marktdenken. Door een populaire DJ voor het orkest te zetten, verruimen we misschien wel het publiek, maar hoe duurzaam zal dat blijken? Op het volgende concert kleurt het publiek wellicht terug even grijs als voordien. Als we Mozart programmeren in een hippe cocktailbar, gieten we dan geen oude wijn in nieuwe zakken? Hoe rekbaar is onze symfonische traditie, en hoe verzoent ze zich op een esthetisch verantwoorde manier met de leefwereld van vandaag?

In het onderzoeksseminarie ‘Canon in Context’ worden de stemmen gehoord van musicologen, muzikanten, filosofen, programmatoren, dramaturgen en orkestmanagers. De vraag die ter tafel ligt, is hoe het muzikale repertoire een rol kan spelen in het herdenken van het gangbare orkestmodel, om zo van het orkest opnieuw een actief, duurzaam en toegankelijk cultureel platform te maken.